Preek 5e zondag door het jaar C, 09 februari 2025 in de kerk Sint-Bernadette
Inleiding Lezing
Jesaja leeft in een tijd dat zijn land bedreigd wordt door een machtig buurland. Mensen twijfelen aan hun God en zijn gebod. Ze liegen en bedriegen en bedrinken zich, zelfs in de tempel. Eenvoudige mensen worden uitgebuit. Het grijpt Jesaja aan. In een visioen, een droom, ervaart hij zijn roeping om niet langer te zwijgen. Hij beschrijft het in poëtische taal vol kosmische beeldspraak.
Lezing Jes. 6, 1-2a. 3-8
Uit de Profeet Jesaja.
In het sterfjaar van koning Uzziahu zag ik de Heer,gezeten op een hoge en verheven troon:zijn sleep bedekte heel de vloer van de tempel.Hij was omgeven met serafs; elk had zes vleugels,en ze riepen elkaar toe:“Heilig, heilig, heilig, de Heer der hemelse machten!Heel de aarde is vol van zijn glorie!”Het luide roepen deed de drempels schudden in hun voegenen het heiligdom stond vol rook.Toen riep ik: “Wee mij, ik ben verloren!Want ik ben een mens met onreine lippenen ik woon te midden van een volk met onreine lippen,en toch hebben mijn ogen de Koning,de Heer der hemelse machten, gezien!”Maar een van de serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kooldie hij met een tang van het altaar genomen had;hij raakte mijn mond daarmee aan en sprak:“Nu dit uw lippen aangeraakt heeft zijn uw zonden verdwenen,uw misstappen vergeven.”Daarop hoorde ik de Heer spreken:“Wie moet ik zenden?Wie zal voor ons gaan?”En ik antwoordde:“Hier ben ik, zend mij!”
