Lees voor het evangelie het passieverhaal uit het evangelie van Lucas hoofdstuk 22

Preek: Palmzondag 13 april 2025 in de kerk Oude Bareel

Evangelie: Lc. 6, 17. 20-26
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
In die tijd daalde Jezus samen met de twaalf van de berg af.Hij bleef staan op een vlak terrein.Daar bevond zich een talrijke groep van zijn leerlingenen een grote volksmenigte uit heel het Joodse land,uit Jeruzalem en uit het kustland Tyrus en Sidon.Hij sloeg nu zijn ogen op,keek zijn leerlingen aan en sprak:“Zalig gij die arm zijt,want aan u behoort het Rijk Gods.Zalig die nu honger lijdt,want gij zult verzadigd worden.Zalig die nu weent,want gij zult lachen.Zalig zijt gijwanneer omwille van de Mensenzoon de mensen u haten,wanneer zij u uitstoten en u beschimpenen uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks.Als die dag komt, springt dan op van blijdschap,want groot is uw loon in de hemel.Op dezelfde manier behandelden hun voorvaders de profeten.Maar wee u, rijken,want wat u vertroost hebt ge al ontvangen.Wee u, die nu verzadigd zijt,want ge zult honger lijden.Wee u, die nu lacht,want ge zult klagen en wenen.Wee u, wanneer alle mensen met lof over u spreken,want hun voorvaderen deden hetzelfde met de valse profeten.”
Preek 6de zondag door het jaar C op 16 februari in de kerk Oude Bareel
Preek 5e zondag door het jaar C, 09 februari 2025 in de kerk Sint-Bernadette
Inleiding Lezing
Jesaja leeft in een tijd dat zijn land bedreigd wordt door een machtig buurland. Mensen twijfelen aan hun God en zijn gebod. Ze liegen en bedriegen en bedrinken zich, zelfs in de tempel. Eenvoudige mensen worden uitgebuit. Het grijpt Jesaja aan. In een visioen, een droom, ervaart hij zijn roeping om niet langer te zwijgen. Hij beschrijft het in poëtische taal vol kosmische beeldspraak.
Lezing Jes. 6, 1-2a. 3-8
Uit de Profeet Jesaja.
In het sterfjaar van koning Uzziahu zag ik de Heer,gezeten op een hoge en verheven troon:zijn sleep bedekte heel de vloer van de tempel.Hij was omgeven met serafs; elk had zes vleugels,en ze riepen elkaar toe:“Heilig, heilig, heilig, de Heer der hemelse machten!Heel de aarde is vol van zijn glorie!”Het luide roepen deed de drempels schudden in hun voegenen het heiligdom stond vol rook.Toen riep ik: “Wee mij, ik ben verloren!Want ik ben een mens met onreine lippenen ik woon te midden van een volk met onreine lippen,en toch hebben mijn ogen de Koning,de Heer der hemelse machten, gezien!”Maar een van de serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kooldie hij met een tang van het altaar genomen had;hij raakte mijn mond daarmee aan en sprak:“Nu dit uw lippen aangeraakt heeft zijn uw zonden verdwenen,uw misstappen vergeven.”Daarop hoorde ik de Heer spreken:“Wie moet ik zenden?Wie zal voor ons gaan?”En ik antwoordde:“Hier ben ik, zend mij!”
